Nieuws

Met een hoger loon krijgt leraar weer respect (de Volkskrant)

Waarom ik vind dat leraren meer respect verdienen (de Volkskrant, opinie, 1 juni 2017). Reactie op het artikel ‘Leraar kampt met imagoprobleem: aanzien in tien jaar forst gedaald’ (Bart Dirks, de Volkskrant, 23 mei 2017).

‘Andere professionals, zoals artsen of journalisten, hoor je zelden zeggen: doe mij maar een prutsalarisje, mijn prestaties hoef je niet naar waarde te belonen.’, schrijft Aleid Truijens in haar artikel ‘Docent die het ‘niet voor het geld doet’ moet ook bij zichzelf te rade gaan’ (de Volkskrant, 11 juni 2017) waarin ze mijn stuk aanhaalt.

Behoud van zelfrespect in een prestatiesamenleving

Voor het vakblad Sociaal Bestek schreef ik het artikel Behoud van zelfrespect in een prestatiesamenleving (2017) over gevolgen van langdurige werkloosheid en de opbouw van zelfrespect en de rol van een geldelijke beloning daarin. Aan loon kleven namelijk ook immateriële voordelen. Kennis daarvan helpt om de gevoelshuishouding van werklozen beter te begrijpen.

Maatschappelijk falen in de prestatiemaatschappij

Zondag 8 januari 2017 was ik samen met HvA-collega Sebastian Abdallah en columnist Heidi Dorudi te gast bij Radio Swammerdam. Heidi droeg een prachtige column voor over (gevolgen van) de dwingende norm van werk, Sebastian sprak over succeservaringen bij jongeren in achterstandssituaties en ik mocht vertellen over falen en behoud van zelfrespect in een prestatiesamenleving. Hier is de uitzending terug te luisteren.

 

Roep om respect in het nieuws

Op NewScientist.nl (13 juli, 2016) is een stuk te lezen van Joost Zonneveld over mijn proefschrift.

Op dinsdag 21 juni stond ik in de rubriek ‘Mensen’ in Het Parool

In de Volkskrant van zaterdag 18 juni 2016 besteedt Aleid Truijens aandacht aan mijn proefschrift in haar scherpe column over gevolgen van het gelijksheidsideaal van de meritocratie.

‘Bijna helft bijstandsontvangers kan of wil niet werken’, is te lezen op de site van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In Het Parool (17 juni, 2016) geef ik commentaar op de uitkomsten van het CBS-onderzoek over de werkwillendheid van bijstandsontvangers.

 

 

Meritocratie. Op weg naar een nieuwe klassensamenleving?

In juni 2016 verscheen de bundel Meritocratie. Op weg naar een nieuwe klassensamenleving? onder redactie van Paul de Beer en Maisha van Pinxteren. Met Evelien Tonkens en Tsjalling Swierstra schreef ik daarin het hoofdstuk ‘Meritocratie als aanslag op het zelfrespect van ‘verliezers’’.

Het boek is hier gratis te downloaden!

Over de bundel:

De meritocratie gold lange tijd als belofte voor een meer open en gelijke samenleving. Een samenleving waarin mensen hun maatschappelijke positie verkrijgen op basis van hun eigen verdiensten. Maar wat als die verdiensten in hoge mate worden bepaald door je afkomst? Als een kind van hoogopgeleide ouders aanzienlijk meer kans maakt op succes in het onderwijs en op de arbeidsmarkt dan een kind van laagopgeleide ouders? En als ook nog eens blijkt dat het merendeel van de bevolking – inclusief de ‘verliezers’ – deze meritocratische principes onderschrijft?
In Meritocratie: op weg naar een nieuwe klassensamenleving? Beschrijven gerenommeerde Nederlandse onderzoekers in hoeverre het huidige Nederland daadwerkelijk een meritocratische samenleving is. Vervolgens brengen zij de maatschappelijke gevolgen van hun bevindingen in kaart. Mondt de meritocratie niet uit in een nieuwe klassensamenleving, waarin de scheidslijnen nog scherper en hardnekkiger zijn dan in de voorbije industriële samenleving?

 

Gewenst: een opwaardering van mbo-werk

Momenteel bestaat de zorg dat mbo-werk als gevolg van robotisering en digitalisering verdwijnt. Ook wordt mbo-werk minder verdienstelijk geacht dan werk waarvoor een hogere opleiding nodig is. Is de lage waardering voor mbo-werk en mbo’ers wel terecht? Wat weten we eigenlijk van mbo-beroepen? Welke kwaliteiten worden van mbo’ers gevraagd en welke vermogens gebruiken ze bij hun werkzaamheden? Socioloog Rineke van Daalen gaat in op deze vragen in een mooi boek dat zij heeft geschreven over vakkundigheid in het verwaarloosde midden: Gewoon werk (2014).*

Van Daalen zet trefzeker uiteen dat de gebrekkige waardering van mbo-beroepen onterecht is. In het eerste deel van haar boek bespreekt ze thema’s als het onderscheid tussen hoofd-en handarbeid, vakkundigheid en de waardering van mbo-werk. In deel twee komen de resultaten van haar empirische onderzoek aan bod. Ze heeft de beroepsmogelijkheden van mbo’ers bestudeerd op de website BeroepeninBeeld.nl: een site die jongeren helpt een opleiding te kiezen. Volgens Van Daalen leest het als een ‘modern etiquetteboek’ en geeft het inzicht in de handelingen en de omgangsvormen die worden gevraagd. Een diepgaander inzicht kreeg ze op basis van observaties en interviews met medewerkers van de ict-servicedesk en de ziekenafdelingen van het Academisch Medisch Centrum (AMC).

Met behulp van de werk-in-actie-benadering belicht Van Daalen de voor velen verborgen, alledaagse kant van mbo-werk. Om het werk te duiden gebruikt ze de pakkende en veelzeggende term ‘koppelfuncties’. Als een soort bruggenbouwers moeten mbo’ers laveren tussen verschillende hiërarchische lagen en ze vormen de schakel tussen diverse fasen in de productieprocessen.

Overtuigend stelt Van Daalen achterhaalde en vastgeroeste ideeën en oordelen over hoofd- en handarbeid ter discussie, ze laat zien waarom deze onhoudbaar zijn, en ze geeft een antwoord op de vraag waarin de vakkundigheid van veel mbo-beroepen schuilt. We moeten beter kijken naar wat werk werkelijk inhoudt om het op waarde te schatten. Dat is mogelijk de sleutel tot meer respect, in het bijzonder voor de beroepen die het nodig hebben.

* Rineke van Daalen (2014) Gewoon werk. Over vakkundigheid in het verwaarloosde midden. Amsterdam: AMB Diemen. 150 pagina’s, € 19,50, ISBN 9789079700745. http://rinekevandaalen.nl

Dit is een verkorte versie van de recensie ‘Gewenst: een opwaardering van mbo-werk’ die ik schreef voor Sociologie.

Gewoon werk. Van Daalen (2014)

 

 

Alledaags seksisme

Op woensdag 11 juni bericht de Volkskrant over de Spornoseksueel, de opvolger van de Metroseksueel. Het is een nieuwe fancy benaming voor mannen die graag hun goedgevormde lichamen tonen aan de buitenwereld. Halfnaakte vrouwen die hetzelfde doen zijn doorgaans gewoon lekkere wijven. Het discours verklapt hoe diep de dubbele seksuele moraal is geworteld in onze samenleving.

Prima. Voer voor discussie.

Maar dan. Als trouwe lezer van de Volkskrant ontkom ik er niet aan om me zo nu en dan te verbazen over redactionele keuzes. Afgelopen donderdag 12 juni was zo’n dag waarom ik mijn neus wat dichter naar mijn laptop bracht. Lees ik het goed? Is dit een grap? Doet de Volkskrant op vk.nl een oproep aan mannelijke lezers hun mening te geven over het uiterlijk van vrouwen? Krijgen ze de gelegenheid om naast al die (ideaal)beelden en meningen die via commercie en media worden verspreid vrouwen nog eens extra te beoordelen?

Oké. Actie. In het land waar reaguurders aan de macht zijn dacht ik op z’n minst een reactie te kunnen plaatsen onder het artikel. Helaas. Wacht, ik doe gewoon die  enquête en kijk of er een open vraag ingevuld kan worden. ‘Anders, namelijk…’ ‘Zeker anders! Niemand zit te wachten op de mening van mannelijke lezers die doorgaans hun kans niet voorbij laten gaan alles wat genderongelijkheid betreft als tuinbroekenfeminisme te bestempelen!’ Maar nee, de site was overbelast. Goedgelovig als ik ben ging ik er vanuit dat verbaasde lezers zich en masse op de site hadden gestort met hetzelfde idee als ik. Hup, een brief inzenden dan maar. Jammer. Het werd een brief die nooit werd geplaatst.

Al dagen wacht ik op een bananensplitmoment. Het moment dat de krant in een artikel zegt ons lezers toch even goed tuk te hebben gehad met haar experiment. Dat alle telefoontjes en brieven die zij binnen hebben gekregen zijn verzameld om ons in te laten zien dat we niet zijn gediend van een krant met een dubbele seksuele moraal. ‘Kijk, het gaat de goede kant op!’

Dat moment is tot dusverre niet gekomen.

Heeft iemand op de redactie zich afgevraagd waarom de krant wil weten wat mannen ‘echt’ vinden? Heeft de redactie de vraag gesteld waarom zij eigenlijk niet benieuwd zijn naar wat vrouwen ‘echt’ vinden van het uiterlijk van mannen? Blijkbaar niet. Dit maakt duidelijk dat de redactie de objectificatie van vrouwen als normaal ziet. De Volkskrant brengt de dubbele seksuele moraal in de praktijk. En dat niet alleen, de Volkskrant voedt haar.

Maar, rustig aan. Toegegeven, ik moet niet te snel mijn conclusies trekken. Wie weet worden we dit najaar op zaterdagochtend verrast met ‘Het grote dubbele seksuele moraal-experiment-magazine’.

Een oproep aan de Volkskrant: het kan nog! Maak er iets moois van! Ik vertrouw op jullie!

Genderongelijkheid. Foto genomen op de campus van Harvard in Cambridge
Genderongelijkheid. Foto genomen op de campus van Harvard in Cambridge

De arbeidsmoraal van werklozen

Foto: Annemiek Onstenk
Foto: Annemiek Onstenk

‘Armoede kan iedereen overkomen’

Dat is de boodschap van het prachtige initiatief van Annemiek Onstenk. Onstenk heeft 125 werklozen, chronisch zieken, bijstandsontvangers en ondernemers gesproken over armoede. Deze verhalen en achtergrondartikelen heeft zij gebundeld in het eenmalige tijdschrift Qracht 500.

Armoede kan iedereen overkomen en maatschappelijk succes  is niet vanzelfsprekend. Over de maatschappelijke druk die werklozen ervaren heb ik voor Qracht 500 het artikel ‘De arbeidsmoraal van werklozen‘ geschreven op basis van mijn promotieonderzoek naar ervaringen van werklozen in activeringsprojecten.

Het tijdschrift is te koop bij Bruna, Ako, Atheneum, Albert Heijn, Pampus, Schimmelpenninck Amsterdam, Zwart op Wit, Primera en The Readshop (6.50 euro)

Artikel in MUG Magazine over Qracht 500

MUG Magazine over ‘De arbeidsmoraal van werklozen’:

Het misschien wel aardigste artikel is dat van van sociologe Judith Elshout, die voor haar proefschrift onderzocht hoe er tegen langdurig werklozen wordt aangekeken. Als je de nieuwe strafmaatregelen van de overheid mag geloven, zijn de meeste werklozen luie profiteurs, die maar eens goed aangepakt moeten worden. En dat terwijl ze soms wel ‘honderd en nog wat’ sollicitaties achter de rug hebben, en hooguit twee of drie keer bericht terug hebben gekregen. ‘We zoeken wel werk, maar dat is er gewoon niet,’ zegt een 27-jarige vrouw.

Om maar te zwijgen van de tendens om uitkeringsgerechtigden jarenlang vrijwilligerswerk te laten doen, want dan ben je nuttig bezig, en doe je werkervaring op. Dat eerste klopt, dat laatst valt te betwijfelen, want een 49-jarige vrouw met veel ervaring in de zorg, wordt er wel eens kriegel van. Ze heeft inmiddels al negen trajecten doorlopen. En dus ervaring zat. Of zoals iemand het verwoordt die al jaren als vrijwilliger computers repareert en het gevoel heeft dat hij ‘gratis’ werkt. ‘Waarom kunnen die baantjes niet gewoon betaald worden.’

Food for thought: wanneer is falen je eigen schuld?

Ik las de onderstaande voetnoot van Arnon Grunberg en vroeg mij af: wanneer is falen je eigen schuld en wanneer een resultaat van pech hebben?

‘Inside Lleywn Davis (Arnon Grunberg in de Volkskrant, 11 januari ’14) 

Inside Llewyn Davis van de gebroeders Coen gaat over een muzikant, Llewyn Davis, die het net niet gaat redden. Goed mogelijk dat deze Llewyn Davis, gespeeld door Oscar Isaac, het ook niet wíl redden, dat hij om wat voor reden dan ook heeft besloten ten onder te gaan.

Dat ten onder gaan klinkt dramatisch, maar de kracht van deze film is juist het gebrek aan drama. De catastrofes in het leven van Davis zijn alledaagse catastrofes, dat maakt Inside Llewyn Davis zo weemoedig.

Je kunt van mening zijn dat en muzikant in de periferie van de samenleving hoort te leven. Tegenwoordig verwachten wij echt dat iedereen een in maatschappelijke zin geslaagd leven leidt.

Wat als sommige mensen daar geen zin in hebben? wat als iemand geen behoefte heeft aan hulp?

Iedereen die gelooft in de helende kracht van de overheid en van empathie zou deze film even moeten zien.

Of je  in maatschappelijke zin of als muzikant slaagt, heeft ook te maken met een dosis geluk of pech. Davis’ zelfdestructieve gedrag en onaangename karakter spelen ongetwijfeld een rol. Bij Rodriquez zal zijn naam parten hebben gespeeld in het uitblijven van succes in de VS. Een aanrader trouwens, de documentaire Searching for Sugar Man. Als je beide films hebt gezien concludeer je dat Rodiquez vanwege externe factoren niet heeft mogen shinen, en Davis zijn verlies aan zichzelf te danken heeft. Waar Rodriquez onterecht niet won, verloor Davis terecht. In een samenleving waarin we verwachten dat ‘iedereen een in maatschappelijke zin geslaagd leven leidt’, is het de mening van de kijker die onderstreept hoezeer die verwachting tot ons is doorgedrongen.

Een sportmentaliteit in een prestatiesamenleving

de wereld aan je voetenMet de auteurs van De wereld aan je voeten (2013), Birte Schohaus en Marijke de Vries, sprak ik over mogelijke worstelingen van twintigers in het licht van een prestatiesamenleving. Prik de illusies door en begin met relativeren, De wereld aan je voeten lezen kan daartoe een eerste aanzet zijn. Vooral als je ten onder dreigt  te gaan aan een prestatiedrang, faalangst, perfectionisme of onzekerheid. Volgens mijn gewaardeerde collega Ineke Teijmant zijn die laatste twee overigens precies hetzelfde.

Ik pleit voor het ontwikkelen van een sportmentaliteit in een prestatiesamenleving. ‘Maakt dat de prestatiedrang of faalangst niet alleen maar erger?’, hoor ik u zeggen. Nee, juist niet. Zelf heb ik van jarenlang atletieken geleerd om te verliezen (en je daarover te frustreren maar er de volgende keer weer gewoon te staan) en om te winnen (en voor de gelegenheid te vergeten dat die dame die altijd wint met verspringen geblesseerd is). Kortom: je leert in sport omgaan met winst en verlies, en met pech en geluk hebben.* Natuurlijk doet je talent ertoe wil je op het podium komen. Maar mijn ervaring is dat iets minder fanatieke sporters even tevreden zijn met hun persoonlijk record als de meer toegewijde sporters, ook zonder  podiumplaats.

Een sportmentaliteit en sportiviteit zijn nodig in een prestatiesamenleving. Een samenleving waarin je talent en inspanning die je levert en wilt leveren, bepalen in welke mate, op wat voor vlak en in welke beroepssector je terecht kan, en wilt komen. We moeten af van het idee dat iedereen in onze samenleving streeft naar de hoogst mogelijke opleiding, of sport op de maatschappelijke ladder. Het zou een drukte worden aan ‘de top’ en inflatie ligt op de loer. Ooit vijf mensen op een nummer een plek op een podium zien staan? Nee, maar wel veel mensen op plek een, twee en drie op verschillende podia. Met andere deelnemers eromheen die hen feliciteren, maar zelf niet per se een podiumplek ambiëren. De top staat tussen aanhalingstekens, want wie bepaalt eigenlijk wat dé top en excellentie is?

We moeten leren verliezen en winnen, weten dat daar altijd een dosis pech dan wel geluk bij komt kijken, en erkennen en accepteren dat er altijd anderen beter zijn dan jij. Dat laatste betekent ook dat jij ergens beter in bent dan een ander.

In De wereld aan je voeten (p.79):

De prestatiedynamiek in de sport is anders dan in het maatschappelijk leven. In de sport heeft een persoonlijk record veel waarde. Daar bestaat het besef dat iemand zijn eigen ontwikkelingen doormaakt en dat de een meer basistalent heeft dan de ander. We neigen ernaar maatschappelijke prestatie alleen te zien ten opzichte van prestaties van anderen, omdat ons idee van scholing is dat iedereen hetzelfde startpunt en dezelfde kansen heeft. In sport zijn we wel bereid om de verschillen in aanleg te herkennen.

* Los van wat intimidatie hier en daar is het bij atletiek lastig valsspelen. Je rent zo hard als je rent en springt zo ver als je verspringt. De tijd en afstandsmeting liegen niet. In onze ‘prestatiesamenleving’ of ‘meritocratiserende samenleving’ verloopt het spel vaak helemaal niet zo eerlijk. Mensen kunnen sporter zijn, maar dat betekent niet dat ze ook sportief zijn. Ouders raad ik aan hun kinderen vooral (ook) op een teamsport te doen.

Werklozen: luie ongemotiveerde profiteurs?

De GroeneIn een interview met journalist Irene van der Linde vergelijk ik het vele solliciteren en vervolgens keer op keer afgewezen worden door werkgevers, met falen in de liefde.

Eén keer afgewezen worden is niet erg, maar als je tien keer, honderd keer wordt afgewezen ga je aan jezelf twijfelen.

Ik ga tevens in op de boodschap die impliciet maar ook meer expliciet verkondigd lijkt te worden in de politiek en bredere samenleving, namelijk dat werklozen niet willen werken, en dat uitkeringsgerechtigden dus verplicht moeten worden onbetaald te werken. Kunnen ze mooi een werkritme opdoen en vaardigheden aanleren voor op de werkvloer. Een vernederende ervaring als je na trouwe dienstjaren op je vijftigste wegens reorganisatie uit het bedrijf wordt gekieperd. Uit mijn promotieonderzoek blijkt dat mensen die langdurig werkloos zijn vaak júist over een arbeidsmoraal beschikken. Zij hebben veelal het gevoel zich te moeten verdedigen tegen de (vermeende) kritiek dat zij ongemotiveerd en profiteurs zouden zijn. Bovendien: werklozen die op de bank zitten met een biertje te wachten tot hun uitkering wordt gestort, veroordelen zij net zo goed.

In het artikel doe ik een oproep de begrippen geluk en pech vaker in discussies over werkloosheid terug te laten komen:

Het is crisis, er zijn bezuinigingen, dus werkloosheid, dat kan gebeuren. In de ogen van anderen zien werklozen hun werkloosheid vaak als mislukking. De retoriek van nu is neoliberaal. Het is je eigen schuld, je eigen verantwoordelijkheid. Maar bij werkloosheid speelt ook een dosis pech. Geluk en pech zou ik meer in het discours willen horen.

Citaten: ‘Ik ging mijn vrienden mijden’, Irene van der Linde in De groene Amsterdammer, 12 september 2013

Over  kritiek waarmee werklozen naar eigen zeggen te maken krijgen, heb ik samen met Linda Prast eerder een stuk geschreven voor het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken: ‘Ik ben tenminste nog een roker’: de gevolgen van werkloosheid voor het zelfrespect van mensen’ (2012)

 

Food for thought: ‘Mooimaakindustrie’

Lukt het jou om je te onttrekken aan de eisen en verwachtingen die aan mensen worden gesteld in een op het uiterlijk gerichte samenleving?

‘Mooimaakindustrie’  (Arnon Grunberg in de Volkskrant, 29 oktober’13)

‘Wat is de oorzaak van de explosieve groei van de mooimaakindustrie?’ vroeg Marcel van Dam zich donderdag in de Volkskrant af. Een goede vraag. Naar het schijnt hebben mensen er geld en soms operaties voor over om mooi en jong te blijven. Is dat erg?

Toerisme was ooit voorbehouden aan de aan de aristocratie. Tegenwoordig kunnen de meesten in West-Europa zich toerisme permitteren. Zo is ook de groei van de mooimaakindustrie het gevolg van emancipatie. De neusverkleining is niet meer uitsluitend iets voor superrijken, ook de middenklasse heeft toegang tot plastische chirurgie. Er bestaat vermoedelijk zoiets als de Ryanair van de mooimaakindustrie: betaalbaar en toch betrekkelijk goed.

Vrijwel alle culturen hebben schoonheidsidealen en waar schoonheidsidealen bestaan is het uiteraard gunstig aan de idealen te voldoen. Dat mensen zich aanpassen aan de regels van het systeem waarbinnen zij moeten functioneren heet een overlevingsstrategie.

Van nature, zou ik zeggen, is de mens een onderdaan.

Bewerkte foto van een boom © Judith Elshout

De mooimaakindustrie is ook doorgedrongen tot de amateurfotografie. Met een ongeairbrushte foto kan je tegenwoordig niet meer voor de dag komen. Al helemaal niet als het een selfie betreft.

De protestantse ethiek van fitness

Het logo van de internationale fastfoodketen Burger King gebruikt in een advertentie voor een fitnesscentrum.

Klik op de link voor het artikel over motivaties om te fitnessen dat ik met Olav Velthuis heb geschreven

Elshout, J. & O. Velthuis (2013) De protestantse ethiek van fitness. Een kwalitatief onderzoek naar de motivatie van hoogopgeleide fitnessbeoefenaars in AmsterdamSociologie (9) 2: 111-128.

Abstract (English below)

In veel statistieken is fitness de meest beoefende sport in Nederland. De dominante verklaring  hiervoor is dat mensen in een geïndividualiseerde cultuur meer gericht raken op het uiterlijk en de gezondheid. Met behulp van fitness kan het lichaam worden getraind en in de gewenste vorm gebracht. Ten tweede past fitness in een rationele en doelgerichte samenleving. Fitness kan worden gezien als efficiënt middel om te bewegen, net als fastfood een relatief snelle en efficiënte manier is om de honger te stillen. Op grond van empirisch onderzoek blijken deze verklaringen niet voldoende. Met behulp van de theorie van Max Weber over de protestantse ethiek en het kapitalisme laat dit artikel zien dat de motivatie om te blijven fitnessen doorgaans te simpel wordt afgespiegeld. Fitness moet niet alleen worden begrepen in het licht van en postmoderne consumptiesamenleving, maar ook in het licht van een moderne puriteinse fitnessethiek waar hard werken een doel op zich is.


Fitness ranks among the most popular sporting activity in the Netherlands. The dominant explanation for this is that in an individualised culture, people are increasingly focussed on physical appearance and health. Also, fitness fits with a rational and goal-driven society. It can be seen as an efficient way to exercise, just as eating fast food is a relatively quick and efficient way to satisfy one’s hunger. Our empirical research, however, shows these explanations to be insufficient. Using Max Weber’s theory on the Protestant ethic and capitalism, we argue that one of the motivations to continue going to the gym is a modern, puritan ‘fitness ethic’ in which working hard is a goal in itself.

Fitnessverleiding
Fitnessverleiding in NYC. © Judith Elshout

Food for thought: ‘Fail again’

 

Niet zo lang geleden kwam ik deze ansichtkaart tegen, vandaag stond onderstaande voetnoot van Arnon Grunberg in de Volkskrant.

 

 

 

 

© Juju’s Delivery

‘Het recht een verliezer te zijn’ (Arnon Grunberg in de Volkskrant, 30 augustus ’13)

Marcel van Dam is een fenomeen. Hoewel zijn wereldbeeld ietwat afwijkt van het mijne heb ik sympathie en waardering voor hem. Donderdag verklaarde Marcel van Dam: ‘Er horen gewoon geen losers te zijn’. Klinkt prachtig, maar in essentie is deze uitspraak fascistisch, waarmee ik niet wil beweren dat van Dam een fascist is.

Een maatschappij waarin geen ‘losers’ mogen voorkomen, zal eindigen in een maatschappij waarin ‘losers’ worden uitgemoord. Mensen zijn solidair, werken samen en hebben een empathisch vermogen, maar ze zijn ook in competitie met elkaar.

De overheid heeft de taak pech te compenseren. Volledige compensatie is echter onhaalbaar. De meest fundamentele vorm van pech bijvoorbeeld, de plek waar je geboren bent, wordt door de meesten als een gegeven beschouwd.

Kortom, mensen moeten het recht hebben om een verliezer te zijn. Het probleem is alleen dat de mislukking een taboe is geworden.

Om met Beckett te spreken: ‘Fail again.’

 

Food for thought: rites de passage

Is het vieren van successen een uiting van een op prestatiegerichte samenleving? Rites de passage zeggen meer over de cultuur waarin mensen leven. Arnon Grunberg stelt hieronder terecht de vraag wat het betekent en zegt over onze maatschappij dat het ene overgangsritueel wel, en het andere niet wordt gevierd.

‘Succes’ (Arnon Grunberg in de Volkskrant, 5 juli ’10)

Een uitgever schreef mij: ‘De zaak loopt als een trein en privé ben ik gelukkiger dan ooit.’ Afgezien van het feit dat deze woorden eerder doen denken aan een uitbater van een bungalowpark dan aan een literaire uitgever, vraag ik me af waarom mensen elkaar moeten inlichten over het eigen geluk.

W.F. Hermans zei: ‘Succes, dat is lachen geblazen.’ Inderdaad, vanuit een literair oogpunt heb je er niet veel aan.

Hard praten in openbare gelegenheden is niet het gevolg van gehoorschade, maar een poging de aanwezigen het eigen succes te tonen.

Ook is het onduidelijk waarom overwinningen en bruiloften gevierd moeten worden en nederlagen en scheidingen niet. Als je gaat trouwen moet de ellende beginnen, na de scheiding ben je er vanaf. Onze obsessie met succes is de ontkenning van weemoed. Ironische distantie ten opzichte van het eigen succes en het eigen lijden is voor alle betrokkenen het beste.